2025-02 MIRA Ceti sprak met... Flore Van Maldeghem


** Trefwoorden: Micrometeorieten – Meteorieten – Wetenschapscommunicatie – Koninklijke Sterrenwacht van België **

 

Waar men gaat langs Vlaamse wegen, komt men… micrometeorieten tegen. Toegegeven, je zal dan wel supergoed moeten speuren. En nogmaals toegegeven: er zijn plekken op Aarde waar je zoektocht snellere en betere resultaten zal opleveren. Maar ze zijn wel overal aanwezig. En micrometeorieten mogen dan wel onooglijk klein zijn, het zijn wel ongemeen interessante buitenaardse indringers die ons veel kunnen bijbrengen over het interplanetaire medium en zelfs over de evolutie van het klimaat en het leven op onze eigen planeet.

Om hierover meer te weten te komen spraken we met Flore Van Maldeghem (°1995), doctor in de geochemie. Flore is erg goed in wetenschapscommunicatie, bekijk ten bewijze dit filmpje op YouTube over ruimtestof op je dak. 

 

 

Copyright afbeelding: Flore Van Maldeghem

 

Hallo Flore, bedankt om ons te woord te staan. Jouw fascinatie voor meteoren dateert al van toen je nog erg jong was, niet?

Dat klopt. Ik herinner mij toen ik zes jaar was dat ik tijdens de zomervakantie op mijn rug op een trampoline vol verwondering naar vallende sterren van de zwerm der Perseïden aan het kijken was. Vanaf toen was er die fascinatie voor de ruimte, ik stelde me allerlei vragen over wat er zich buiten de Aarde allemaal afspeelde, en die vragen zijn sindsdien nooit meer gestopt. In het middelbaar koos ik voor Latijn, wetenschappen en wiskunde om ervoor te zorgen dat ik voor mijn latere studies nog alle richtingen uit kon. Maar ik had toen al wel het vermoeden dat het iets met natuurwetenschappen zou te maken hebben. Dat idee werd nog versterkt toen ik samen met mijn papa die ook altijd gefascineerd is geweest door de ruimte een cursus beginselen tot de astrofysica had gevolgd op de volkssterrenwacht in Beisbroek. Nadien heb ik nog heel wat met leerkrachten gepraat over studeren na het middelbaar, ben ik naar opendeurdagen geweest aan de universiteit om dan uiteindelijk voor geologie te kiezen. Klinkt misschien raar voor iemand die zo aangetrokken is door de wereld van sterren en planeten, maar men had mij verteld dat het in de richting sterrenkunde meer gaat over het berekenen van banen en posities van hemellichamen en vooral de fysica van dat alles, terwijl je voor de werkingsprocessen en samenstelling ervan beter zit bij de geologie. En daarom ben ik aan de universiteit van Gent geologie beginnen studeren.

Toegegeven, in de eerste jaren ligt de focus bijna uitsluitend op de Aarde zelf. Maar toen ik aan mijn master begon kwamen de onderwerpen voor de masterthesissen online, en ik zag meteen dat er daar micrometeorieten op de lijst stond. Zonder aarzelen wist ik dat dit het onderwerp van mijn thesis zou worden. En zo geschiedde. 

 

Jouw thesis was aan de Vrije Universiteit van Brussel?

Neen, ik deed mijn master aan de UGent, maar wel in samenwerking met de VUB. Steven Goderis, professor aan de VUB was mijn promotor. Dat was in 2018. De titel van mijn masterthesis is Karakterisering van Antarctische ongesmolten micrometeorieten op basis van synchrotron X-straal analyse’.

En dan ben ik daar blijven op doorwerken om een doctoraat te behalen, dat was wel degelijk aan de VUB. Ik heb een jaar kunnen werken als medewerker van de Onderzoeksgroep Archeologie, Milieuveranderingen & Geochemie, daarna heb ik via het FWO een beurs bekomen om vier jaar verder te kunnen werken aan mijn doctoraat ‘Unraveling the Solar System: Tracing the cosmic dust flux to Earth using Polar Sediments’. Professoren Steven Goderis en Philippe Claeys, ook VUB, waren de promotoren ervan. En eind februari 2024 heb ik dan de academische graad van Doctor in de Wetenschappen behaald.

 

Een mooi verhaal. Is het een grote groep die zich met micrometeorieten bezig houdt?

Toen ik begon met het onderzoek van micrometeorieten waren we naast Steven met z’n tweeën: ik en een andere doctoraatstudent die een jaar later afstudeerde. Kort nadien is er een nieuwe postdoc bijgekomen, dan waren we weer met twee. 

Vorig jaar, op het moment dat ik stopte, heeft Steven een beurs binnengehaald via de ERC, de European Research Council, dat is zo’n beetje de Europese tegenhanger van ons eigen FWO, en dat maakt het mogelijk om nu op micrometeorieten te werken met een team van vijf à zes onderzoekers. Dat project, Flux genaamd, heeft als hoofddoel het reconstrueren van extra-terrestrisch materiaal naar de Aarde over de geologische tijd. Niet om het al meteen te linken met de invloed op leven.

We kunnen dus zeker wel stellen dat het onderzoek van micrometeorieten momenteel begint te boomen. Het is natuurlijk slechts een niche van een niche, maar dat is vaak het geval met wetenschappelijk onderzoek. In de periode dat ik aan mijn masterthesis begon moest ik op conferenties telkens opnieuw uitleggen wat micrometeorieten precies zijn, maar in de academische wereld is men er ondertussen wel mee vertrouwd geraakt: er zijn meer onderzoekers mee bezig, er zijn meer artikelen erover, er is meer interesse voor het onderzoek en het belang ervan.

 

Hoe komt dat? Want in boeken over populariserende sterrenkunde kon je al heel lang lezen dat je vast zelf micrometeorieten zou kunnen vinden bijvoorbeeld in dakgoten van oude gebouwen.

Dat klopt, men wist al wel dat je ze inderdaad op dergelijke manieren zou kunnen vinden. Waarom was er dan zo weinig interesse? Omdat men ervan uitging dat de technieken er niet op voorzien waren om dergelijke kleine dingen te onderzoeken, en ook dat micrometeorieten quasi identiek zijn aan de grotere meteorieten die men wel vlot kan bestuderen, en dus was het niet nodig om aan die kleine prutsen veel tijd te besteden.

De laatste tien jaar is men toch begonnen met micrometeorieten heel nauwkeurig te onderzoeken. En uit dat onderzoek bleek dat ze wel degelijk fundamenteel anders zijn dan de grote meteorieten, dat ze ons andere informatie kunnen verschaffen over het prille begin van het zonnestelsel en dat het dus zeer zeker belangrijk is om ze grondig te onderzoeken. En toen dat besef begon door te dringen is er bij veel wetenschappers interesse ontstaan om zich ook met dat onderzoek bezig te houden. Er kwamen vanuit verschillende hoeken ideeën om met behulp van diverse technieken een bijdrage te leveren aan het onderzoek van micrometeorieten, en op die manier is dat beetje bij beetje gegroeid.

 

 

Verschillende micrometeorieten onder een optische microscoop. Copyright afbeelding: AMGC@VUB

 

En wat is dan die andere kijk die micrometeorieten ons verschaffen in vergelijking met de ‘gewone’ meteorieten?

Zoals je weet zijn er verschillende soorten meteorieten. Je hebt ijzermeteorieten, steen-ijzermeteorieten en steenmeteorieten. De eerste twee zijn goed voor zowat 6%, de rest zijn steenmeteorieten. Daarin onderscheiden we chondrieten, zo’n 86% van de meteorieten en achondrieten, die staan voor 8%.

Bij de chondrieten is de meest voorkomende soort de gewone chondriet, de ‘ordinary chondrite’, dat is ongeveer 70% van alle meteorieten. Maar als je naar de micrometeorieten kijkt heb je plots maar een 20% gewone chondrieten en 70% koolstofchondrieten. Bij de grote meteorieten is die ratio omgekeerd. Als je micrometeorieten dus links laat liggen in je onderzoek mis je al een heel groot deel van wat er vanuit de ruimte op onze Aarde valt. Want de massa van micrometeorieten die jaarlijks op het aardoppervlak terecht komt wordt ruwweg vijftig keer hoger geschat dan die van de gewone meteorieten.

De planetoïdengordel tussen de banen van Mars en Jupiter is de origine van veel meteorieten en ook van veel micrometeorieten. Hoe gaat dat in z’n werk? Er bevinden zich in die zone heel veel objecten en er vinden daar dan ook vaak botsingen plaats tussen die grote en kleinere klompen materie. Door die botsingen ontstaan er vele brokstukken en komt er ook veel stof vrij, piepkleine deeltjes. En het zijn die kleine deeltjes die als micrometeorieten op Aarde terechtkomen. De planetoïden die daar circuleren bestaan uit oermaterie, daterend uit de beginperiode van het zonnestelsel. En ook daar maken we een onderscheid tussen planetoïden die zijn als gewone chondrieten of als koolstofchondrieten. Nu dringt de vraag zich op: waarom heb je bij de micrometeorieten zo’n veel hoger percentage koolstofchondrieten? En dat heeft alles te maken met het gegeven dat dit heel erg fijnkorrelig materiaal is. Als een planetoïde die bestaat uit gewone chondriet botst met een gelijkaardig object gaat die botsing resulteren in grote brokstukken, want het materiaal van die gewone chondrieten is veel harder en massiever dan het materiaal waaruit koolstofchondriet zijn opgebouwd. Als planetoïden van koolstofchondriet botsen heb je dat veel fijnere materiaal en dat resulteert in veel meer fijn stof.

Een andere belangrijke bron van micrometeorieten zijn kometen. Kometen zijn in essentie grote structuren van ijs, gruis en stof en komen van veel verder dan de planetoïdengordel, de Kuipergordel en de Oortwolk, op hele grote afstand van de Zon in regio’s van het zonnestelsel waar het superkoud is. Als die bevroren ijsbrokken om een bepaalde reden dichter bij de Zon komen, zal het ijs verdampen en komt er veel gruis en stof vrij. Dat is te zien als die mooie grote stofstaart achter de komeet. Daarnaast heb je ook nog de plasmastaart van het geïoniseerde verdampte ijs. Wanneer de Aarde tijdens haar baan rond de Zon zo’n stofzone, achtergelaten door een komeet, passeert krijgen we een meteorenzwerm te zien. De bekendste is zeker en vast de Perseïden meteorenzwerm in de maand augustus. 

Volgens recent onderzoek zou er een invloed zijn van de grote massa’s micrometeorieten die op Aarde neerkomen op het klimaat en ook op het leven op onze planeet. Tijdens de doorgang door de atmosfeer is er een reactie tussen de micrometeoriet en de luchtdeeltjes. En zo zouden fossiele micrometeorieten kunnen gebruikt worden om de samenstelling van de atmosfeer – denk aan zuurstof en koolstof – op dat moment in de geologische tijd te reconstrueren. Op die manier zouden micrometeorieten een proxy vormen voor het klimaat doorheen de tijd. Een vergelijkbaar idee is dat die continue regen van micrometeorieten een bron van nutriënten kan zijn geweest en eigenlijk nog altijd is en zo fungeert als een soort fertilisator voor de oceanen. Dit zijn zeer recente bevindingen die verder grondig moeten onderzocht worden, maar ze lijken in ieder geval erg veelbelovend. 

Je zou micrometeorieten ook kunnen gebruik als ijkpunten in de tijd om te achterhalen wat er doorheen de tijd op Aarde is terechtgekomen. Want volgens verschillende tijdsintervallen kan je dikke lagen sediment identificeren, en in meerdere van die sedimentlagen heeft men micrometeorieten kunnen terugvinden. In bepaalde periodes zijn er meer of zijn er minder, we zien het veranderen doorheen de tijd. We zien ook de verhouding tussen gewone chondrieten en koolstofchondrieten veranderen. Kunnen we dat linken aan een bepaald object in het zonnestelsel waar ze afkomstig van zijn? Kunnen we dat linken aan bepaalde gebeurtenissen? Is er misschien een botsing tussen planetoïden gebeurd in het zonnestelsel? Zijn er daarom plots veel meer stofdeeltjes? En waarom is er plots meer van dit specifieke soort materiaal? Dus voor dit soort onderzoek zijn micrometeorieten heel interessante objecten. En dat is iets waarop men nu heel hard begint te werken.

 

Wat is men door dit onderzoek bijvoorbeeld al aan de weet gekomen?

We zien heel duidelijk dat er 542 miljoen jaar geleden iets heel groots gebeurd is. Men heeft kilo’s en kilo’s kalksteen opgelost, en op die grens van 542 miljoen jaar geleden vindt men opeens gigantisch veel meer micrometeorieten, duizend keer meer dan normaal, en die micrometeorieten bevatten het mineraal chromiet. Wat gelinkt kan worden aan een bepaalde planetoïde in ons zonnestelsel. Dat object uit de planetoïdengordel moet door een of ander gebeuren, wellicht een botsing, opgebroken zijn en de brokstukken en het stof ervan zijn dan een tijd later op Aarde terechtgekomen. Vandaar die gigantische piek aan micrometeorieten. 

En kort nadien was er het zogenaamde Great Ordovician Biodiversification Event, een geweldige diversificatie die in de dierenwereld plaatsvond zowat veertig miljoen jaar na de Cambrische explosie.

Dan rijst de vraag: is er een verband tussen die twee? En kunnen we vergelijkbare mogelijke verbanden vinden voor andere geologische periodes? Dat is het ERC-project waar het team van Steven aan de VUB mee bezig is. In bepaalde afzettingen heeft men al micrometeorieten gevonden, maar niet met zo’n pieken als bij het Ordovicium want dat is wel zeer uitzonderlijk.  

 

 

Doorsnede micrometeoriet met Scanning Electron Microscope. Copyright afbeelding: AMGC@VUB

 

Die kleine deeltjes komen aan enorm hoge snelheid in een dikke laag atmosfeer terecht. Hoe kunnen zij die helse tocht toch overleven om finaal op Aarde terecht te komen? 

Het lijkt inderdaad tegenstrijdig dat een groot object soms volledig opbrandt in de atmosfeer, maar dat die kleintjes wel in grote hoeveelheden naar beneden komen. Hoe komt dat? Ja, dat is fysica, dat heeft alles te maken met de krachten die erop inwerken. 

Dat stof komt in de atmosfeer terecht, heeft een bepaalde snelheid, valt onder een bepaalde hoek, en heeft een bepaalde samenstelling. Afhankelijk van al die factoren zal dat kleine deeltje de tocht overleven of niet. Zo’n deeltje is ook ongeveer drie à vier keer groter als het in de atmosfeer terechtkomt dan wanneer het op Aarde landt. Er is wrijving, het deeltje wordt verhit, al die krachten zijn er nog altijd, maar hebben afhankelijk van al die factoren minder invloed op dat kleine deeltje dan dat ze soms hebben op grotere brokken. En zo komt het dat er globaal gesproken toch nog zoveel micrometeorieten op Aarde neervallen.

 

Want het gaat inderdaad toch wel om gigantische massa’s, niet?

In principe valt er één micrometeoriet per vierkante meter per jaar. Als je de rekensom maakt gaat het jaarlijks om meerdere tonnen buitenaards materiaal dat zo op onze planeet terechtkomt. Mocht er ergens een grote meteoriet vallen met een vergelijkbare massa zou dat veel opzien baren, denk bijvoorbeeld aan de kleine planetoïde die op 15 februari 2013 boven Tsjeljabinsk explodeerde. Die heel veel kleine deeltjes die vallen, daar merk je niets van, je ziet het niet en voelt het niet. Maar als we ze zien opbranden als vallende sterren hoog in de atmosfeer kunnen ze wel heel spectaculair zijn.

 

Welke gebieden zijn het meest interessant om naar micrometeorieten te gaan zoeken?

In principe is er geen plek op Aarde waar er meer of minder micrometeorieten vallen. Maar we gaan vooral op zoek naar plekken waar de micrometeorieten gemakkelijker te vinden zijn. Als er een micrometeoriet ergens in je tuin valt, begin dan maar eens te zoeken… De plekken waar meest gezocht wordt zijn woestijnen, zowel warme als koude woestijnen. Dat geldt ook voor grote meteorieten. Antarctica is tot nog toe veruit de meest populaire plek om te gaan zoeken, maar ook in de Atacamawoestijn heeft men micrometeorieten gevonden. Met een team van de VUB zijn wij ook micrometeorieten gaan zoeken op Groenland, ook een wereld vol ijs en sneeuw, maar aan de andere kant van de Aarde dan Antarctica.

 

 

Verzamelen sediment voor micrometeorieten op Groenland. Copyright afbeelding: AMGC@VUB

 

Er zijn verschillende redenen waarom woestijnen ideale oorden zijn om micrometeorieten te gaan zoeken. Ten eerste is er veel minder verwering, zeker op Antarctica, dat is een echte diepvries. Veel gebeurt daar niet, er is weinig of geen vloeibaar water, er is nauwelijks activiteit van mens of dier, en bijgevolg bewaart alles daar veel beter. Ten tweede is er weinig andere input op een plek zoals Antarctica. Waar wij in Vlaanderen wonen is er veel verkeer, je hebt uitlaatgassen, fijn stof, erosie van banden, enzovoort. Dus je zit met heel veel afvalmateriaal ten gevolge van onze diverse activiteiten dat qua vorm soms erg kan lijken op micrometeorieten. Bijgevolg zal het moeilijker zijn om de echte micrometeorieten te herkennen tussen onze eigen massale input. Als je zoekt in een gebied waar weinig andere input is, is de kans veel groter om een echte micrometeoriet te vinden. En dan is er ook nog het gegeven dat je daar een heel lange verzameltijd hebt. Zo komt de collectie micrometeorieten van de VUB van bergtoppen op Antarctica. Je hebt daar oppervlaktes die al twee tot vier miljoen jaar gewoon ijsvrij zijn. Daar komt geen mens, niets, niemand, en er valt daar de hele tijd materiaal op neer dat er gewoon blijft liggen. Tot er een wetenschapper langskomt die beslist dat zakje materiaal mee naar zijn laboratorium te nemen. Dus in zulke gebieden kan je hoge concentraties micrometeorieten aantreffen.

Je kan ze inderdaad ook op daken vinden, maar stel: je hebt een groot plat dak en dat is in twintig jaar niet meer gekuist. Aangezien we gezegd hebben dat er gemiddeld jaarlijks per vierkante meter een micrometeoriet valt zouden er na twintig jaar toch wel meerdere op je dak moeten liggen. Maar als je het dak dan schoonmaakt en je verzamelt drie kilo materiaal, ga je met wat geluk en na lang zoeken misschien enkele micrometeorieten vinden. Als je een staal neemt van drie kilo zand van Antarctica ga je er misschien duizend vinden. Je begrijpt dat die laatste optie veel interessanter is. Bovendien zal er op je dak veel rommel tussen zitten zodat het moeilijker is om ze te herkennen, het materiaal van op Antarctica is veel zuiverder en in betere conditie.

 

Waarschijnlijk hebben micrometeorieten in onze omgeving ook veel last van erosie? 

Ja, ze verdwijnen veel sneller door natuurlijke erosieprocessen. Je hebt verschillende soorten micrometeorieten, en de ene soort is al resistenter dan de andere tegen die processen. De heel fragiele micrometeorieten vind je praktisch niet terug in stedelijke context, nog een reden om naar een woestijnomgeving te gaan bij het zoeken ernaar. 

 

Heeft men ook al micrometeorieten gevonden die van de Maan of van planeten afkomstig zijn?

Niet bij mijn weten. Ze moeten er theoretisch gesproken zeker zijn, maar het gaat over stof dat op Aarde terechtgekomen is. Dus er moet een inslag geweest zijn op bijvoorbeeld Mars die stof geproduceerd heeft dat in de ruimte is terecht gekomen, dat stof moet dan ergens op de Aarde zijn neergekomen en dan moet je nog het geluk hebben dat het op een dag door een wetenschapper gevonden wordt. De kans dat dit scenario zich voordoet lijkt me eerlijk gezegd klein, maar is niet nul.

 

Hoe komt het dat de VUB in dit onderzoek zo’n voortrekkersrol speelt?

Dat heeft vooral te maken met Steven. Aanvankelijk trok hij verschillende keren naar Antarctica in het kader van een samenwerking met het Japanse National Institute of Polar Research om te zoeken naar meteorieten in een gebied niet ver van de Belgische Zuidpoolbasis Prinses Elisabeth. Bij één van die expedities had hij gehoord over een groep Italiaanse onderzoekers die in een ander deel van Antarctica op bergtoppen waren gaan zoeken naar meteorietmateriaal. En zo vatte hij het plan op om dat ook zelf te proberen. Met succes, want in de verzamelde stalen vanop de bergtoppen die hij bezocht zaten er micrometeorieten. Bij een volgende expeditie is men dan specifiek gaan zoeken naar micrometeorieten, en zo is dat hele onderzoek op de VUB in een stroomversnelling geraakt. En ondertussen is hij één van de koplopers binnen dat onderzoeksdomein geworden. 

 

 

3 types volledige micrometeorieten met scanning elektron microscope. Copyright afbeelding: AMGC@VUB

 

De VUB speelt toch ook een prominente rol in verband met het onderzoek naar de beroemde impactkrater in Chicxulub, nietwaar?

Jazeker, Philippe Claeys is degene die veel belangrijk onderzoek heeft verricht naar die impactkrater en daar in grote mate zijn carrière heeft op gebouwd.

Steven heeft daar ook op gewerkt en is ook nog altijd bezig met het bestuderen van impactkraters. Hij interesseert zich dus voor de hele grote objecten die botsen met de Aarde, maar ook met de zeer bescheiden stofjes die vanuit de ruimte neerdwarrelen op onze planeet. Op die manier kan de onderzoeksgroep trouwens aantonen dat dit alles een continuüm is dat gaat van dingen op de schaal van micrometers tot dingen die kilometers groot zijn, maar ze hebben elk op hun manier grote invloed en het heeft allemaal belang om dit alles grondig te onderzoeken.

De AMGC-groep van de VUB is trouwens nog steeds bezig met onderzoek naar Chicxulub. 

De hele grote inslagen produceren uiteraard ook gigantisch veel kleine deeltjes, het is ook heel interessant om te onderzoeken hoe je kan zien dat de deeltjes van een impact afkomstig zijn dan wel dat het om echte micrometeorieten gaat, om beide soorten te vergelijken. 

Persoonlijk vond ik het ook heel boeiend om interdisciplinair te werken met onderzoekers uit andere onderzoeksdomeinen zoals archeologen, paleontologen, klimatologen, enzovoort. Het bestuderen van micrometeorieten is heel divers aan topics, en daarom is het goed om eens te horen welke technieken men gebruikt op bijvoorbeeld archeologische samples, dan kan je je als geoloog daardoor eventueel laten inspireren om het ook op die manier eens te proberen met je eigen samples, misschien komt er wel iets interessants uit naar voren. En zo ontstaat er een heel interessante dynamiek en wisselwerking. 

 

Is men aan de UGent daar ook mee bezig?

Neen, in Gent zijn ze niet bezig met extra-terrestrische materialen. Er wordt door de VUB samengewerkt met de universiteit van Gent voor het gebruik van toestellen en voor metingen in het kader van analytische chemie. Maar tegenwoordig heeft de VUB de UGent voor die analyses minder nodig aangezien ze zelf in allerlei instrumenten en labo’s geïnvesteerd hebben. Het doet me plezier om te zien dat die onderzoeksgroep zo aan het groeien is.

 

Op YouTube zie je filmpjes waarbij kinderen een witte plastiek uitspreiden, vervolgens strooien ze het door hen verzamelde materiaal daarop uit en gaan ze met een magneet aan de slag om vlotjes micrometeorieten op te vissen. Hoe gaan professionelen te werk?

Wel ja, op YouTube lukt alles altijd heel vlot, maar in werkelijkheid loopt het toch iets anders. Wat gebeurt er als je in je labo toekomt met je zak materiaal van Antarctica? De eerste stap is het materiaal zeven. Je giet je materiaal door een zeeftoren zodat je al heel wat te groot materiaal kan elimineren. Dan ga je inderdaad aan de slag met wit papier waarop het restmateriaal in een fijn laagje wordt uitgespreid. Vervolgens ga je daar met een sterke magneet over, en de korreltjes die je daarbij vangt zijn kandidaat micrometeorieten. Met een microscoop ga je die specimen bekijken, en zo kan je er op basis van de sferische vorm en de nodige visuele training de waarschijnlijke micrometeorieten uithalen. Dit zijn de stappen die mensen thuis ook wel zouden kunnen doen. Daarna gaan we non destructief kijken voor een eerste beeld van de chemische samenstelling van onze specimen. Aan de hand van bepaalde elementen die in het specimen zitten krijg je bevestiging of het een micrometeoriet is of niet. Als er bijvoorbeeld nikkel in aangetroffen wordt mag je al vrij zeker zijn dat het materiaal extra-terrestrisch is. Nikkel komt ook voor op Aarde, maar wel voornamelijk in de kern en niet in gewone gesteenten aan het aardoppervlak. 

 

Hoe kan je weten hoe oud dat buitenaards materiaal is?

In verband met meteorieten en micrometeorieten heb je twee verschillende soorten ouderdom waar je naar kan kijken. Hoe oud in de zin van hoe lang ligt het materiaal op Aarde? Ofwel wanneer is het gevormd in ons zonnestelsel?

Om te achterhalen wanneer het object gevormd is in ons zonnestelsel maken we gebruik van de zogenaamde radiometrische datering, een techniek van datering die gebaseerd is op het radioactieve verval van natuurlijke isotopen. Op basis voor de halfwaardetijd die voor iedere isotoop een constante is kunnen we de leeftijd van het specimen tamelijk nauwkeurig berekenen.

Om te achterhalen hoe lang het specimen op Aarde ligt, gaan we anders te werk. Bijvoorbeeld voor de collectie meteorieten van Antarctica gaan we proberen een minimum ouderdom te bepalen. Je kan dateren hoe lang een bepaald gebied op Antarctica al ijsvrij is. Zo kan je zeggen: dat is hier zeker al twee miljoen jaar ijsvrij. Als je daar een micrometeoriet vindt ligt die daar dus maximum twee miljoen jaar. 

Stel dat je in dezelfde afzettingen sporen van een impact vindt, en je kan de impact dateren op bijvoorbeeld achthonderdduizend jaar geleden, dan weet je ook dat het daar al zeker achthonderdduizend jaar ijsvrij is. En zodoende kan je daar wel een zekere tijdseenheid op plakken, maar je gaat nooit kunnen zeggen dat een bepaalde micrometeoriet daar exact tienduizend jaar geleden gevallen is.

Er is wel een paper verschenen over iemand die een dak had leeggemaakt en daar was twee jaar lang niets mee gebeurd. Toen ze daar dan na twee jaar gingen zoeken naar micrometeorieten hebben ze er wel een aantal gevonden. In dat geval kan je natuurlijk wel zeggen dat het micrometeorieten zijn die in de loop van de voorbije twee jaar daar zijn gevallen.

 

Maar voor de inslag in Chicxulub gaat men toch heel precies te werk, die inslag zou namelijk in de lente hebben plaatsgevonden? 

Inderdaad, de dag van die inslag zesenzestig miljoen jaar geleden is heel gedetailleerd gereconstrueerd. Het is trouwens één van mijn vroegere collega’s die daar veel mee bezig is geweest. Wat is het verschil met de meteorieten en micrometeorieten? Die impact heeft heel duidelijke sporen achtergelaten op de lokale sedimentlagen, en sedimentlagen zijn door geologen goed te dateren. Er is ook dat fameuze iridiumlaagje dat je over heel de wereld terugvindt, dat kan je ook heel exact gaan dateren met absolute tijdsbetaling. Maar zoiets is niet mogelijk voor een minuscule micrometeoriet die gevallen is op Antarctica. 

 

Zou het geen goed idee zijn om rond micrometeorieten een citizen science project op te zetten? 

Dat is inderdaad de grote droom van Steven en ook van mij. We zijn daar wel ergens mee bezig, we gaan daar waarschijnlijk in de toekomst nog aan werken. En mensen uitleggen hoe je naar micrometeorieten kan zoeken is niet het probleem. Maar we hebben een manier nodig om in een volgende fase chemisch te gaan checken of de gevonden specimens effectief micrometeorieten zijn.

Mensen moeten ergens terecht kunnen als ze denken er eentje gevonden te hebben, en daar ligt momenteel het pijnpunt. Je hebt daar een onderzoeker voor nodig die daar een heel stuk van zijn tijd kan aan besteden, maar op dit moment is die persoon er niet. Maar het is zeker iets dat tot onze toekomstdromen behoort.

 

Op MIRA zijn wij dan zeker heel gemotiveerd om daar op een of andere manier aan mee te werken. Intussen hebben wij toch al wel enige expertise opgebouwd rond meteoren, vuurbollen en meteorieten. 

Als we het willen realiseren zou het zeker in samenwerking moeten zijn met andere instellingen, zoals de Koninklijke Sterrenwacht, maar gezien jullie nauwe contact met het grote publiek zijn de volkssterrenwachten zeker ook een preferentiële partner.

 

 

Steven Goderis op Antarctica voor verzamelen sediment micrometeorieten. Copyright afbeelding: AMGC@VUB

 

Intussen, Flore, ben jij als communicatiemedewerker verbonden aan de Koninklijke Sterrenwacht van België, de KSB. Mooie job, ongetwijfeld, maar riskeer je zo niet het echte wetenschappelijk onderzoek te missen?

Aan de ene kant misschien wel, maar aan de andere kant is wetenschapscommunicatie altijd een passie van mij geweest. En daar kan ik me nu fulltime mee bezig houden. Ik heb niet het gevoel dat ik ver van de wetenschap sta, want ik praat elke dag met onderzoekers en ben blij dat ik als brugfiguur mag fungeren tussen het hardcore onderzoek en het grote publiek. Dus in deze fase van mijn carrière zit ik zeker wel op de juiste plek. 

 

Wat wil de KSB communiceren aan pers en publiek?

Op dit moment zijn we heel hard bezig met de voorbereidingen van het feestjaar 2026, want dan bestaat de KSB tweehonderd jaar. Er zullen opendeurdagen zijn, we zijn een grote tentoonstelling over de geschiedenis van de sterrenwacht aan het uitwerken. Maar we willen ook het onderzoek waar de wetenschappers van de KSB mee bezig zijn in the picture zetten. We hebben immers vier verschillende grote onderzoeksdomeinen: Astronomie en astrofysica, Zonnefysica en ruimteweer, Referentiesystemen en planetologie en Seismologie en gravimetrie. Al het onderzoek dat daar door uitstekende wetenschappers wordt verricht verdient ruime bekendheid, daarom willen we het graag bekend maken bij het grote publiek.

 

Dat is een mooie taak, Flore, veel succes ermee en dank voor het boeiende interview.

 

 

Tekst: Francis Meeus, maart 2025