2024-04 MIRA Ceti sprak met... Inne Vanderkelen
*** Trefwoorden: Klimaatverandering – Klimaatmodellen – Belgische klimaatscenario's ***
In televisiejournaals en via andere nieuwskanalen kunnen we er niet naast kijken: allerlei onheil in verband met het weer en het veranderende klimaat teistert onze planeet. Bosbranden, overstromingen, hittegolven komen voortdurend in het nieuws en eisen ook een hoge menselijke tol. En intussen zijn wetenschappers wereldwijd het erover eens dat de grote boosdoener in het verhaal van de klimaatverandering de uitstoot van broeikasgassen is, die sinds ruim 130 jaar steeds is blijven toenemen.
Om zicht te hebben op hoe men in ons land met deze problematiek omgaat en wat er nodig is om de maatschappij van morgen aan te passen aan de nieuwe klimaatrealiteit trokken we naar het KMI in Ukkel waar we een gesprek hadden met klimaatwetenschapster Inne Vanderkelen (°1994). Inne is momenteel als onderzoekexpert halftijds aan de KU Leuven verbonden en halftijds aan het KMI. Zij werkt onder andere mee aan het onderzoek naar de klimaatimpact op ons land en aan de Belgische klimaatscenario’s en klimaatadaptatie.

Copyright afbeelding: Volkssterrenwacht MIRA
Dag Inne, wat fijn dat ik jou hier mag komen interviewen op het KMI.
Voor mij is het ook fijn dat ik mag spreken over de dingen die mij zo enorm boeien. Als klein meisje zei ik al dat ik later voor mijn beroep graag iets wou doen in verband met het weer. En in de bibliotheek ging ik steevast op zoek naar boekjes waarin wetenschappelijke zaken op een voor kinderen begrijpelijke manier werden uitgelegd. Ik herinner me toen ik in het derde leerjaar dat de juf ons voor een spreekbeurt liet kiezen uit verschillende onderwerpen. Ik koos voor de slazwierder en vertelde mijn klasgenootjes over de centrifugale kracht. Er was bij mij toen dus al duidelijk sprake van grote interesse voor wetenschap en techniek. Tijdens mijn middelbaar koos ik voor de richting Latijn-wiskunde, want ik had ook wel veel belangstelling voor talen en geschiedenis. En vervolgens ben ik dan aan de KU Leuven geografie gaan studeren.
Waarom koos je voor geografie en bijvoorbeeld niet voor geologie?
Ik vond geografie aantrekkelijker omdat ik vooral geïnteresseerd ben in het weer en het klimaat en ook in al wat zich afspeelt op het aardoppervlak. Daarbij vind ik zeker ook de interactie mens-Aarde heel boeiend. En bovendien heb je in de geografie ook te maken met tijdschalen die heel tastbaar zijn: de dingen spelen zich hier en nu af, of in een vrij recente geschiedenis. Bij de geologie daarentegen gaat het om tijdschalen over miljoenen tot miljarden jaren. Dat is niet echt bevattelijk naar onze normen. Als we naar de klimaatverandering kijken, en al zeker naar de klimaatverandering in de toekomst, dat gaat over de komende honderd jaar, vijftig jaar, dertig jaar. Eigenlijk vandaag al.
Die samenhang tussen fysische wetenschappen en sociale wetenschappen, van geomorfologische processen tot sociale geografie, dat sprak me geweldig aan.
Uiteindelijk ben ik zelf meer de kant van de echt fysische en wiskundige geografie opgegaan tijdens mijn masterjaren die ik deed aan de KU Leuven en aan de VUB.
Ik was toen al heel erg geïnteresseerd in klimatologie, en om me daarin te verdiepen kon ik tijdens mijn master via een uitwisseling in het kader van het Swiss European Mobility Programme een semester lang gaan studeren op de ETH in Zürich, de befaamde Eidgenössische Technische Hochschule. De ETH is een heel gespecialiseerd, zeer gerenommeerd instituut, zeker op het vlak van weer- en klimaatkunde.
En nadien ben ik mijn doctoraat begonnen bij professor Wim Thiery aan het departement Water en Klimaat van de VUB.
Hoe komt het dat Zwitserland op zoveel domeinen van het wetenschappelijk onderzoek toonaangevend is? Ik denk maar aan de zoektocht naar exoplaneten, het klimaatonderzoek, CERN, …
Zij doen heel veel investeringen in wetenschap, met als resultaat heel veel wetenschappelijke topinstellingen en topwetenschappers. Zo simpel is het eigenlijk.
Jouw doctoraat ging over de invloed van dammen op het lokale klimaat. Kan je daar iets meer over vertellen?
In mijn doctoraat werd bestudeerd hoe we menselijk waterbeheer in globale klimaatmodellen kunnen integreren. Toen ik met mijn onderzoek begon in 2017 hielden globale klimaatmodellen alleen rekening met de natuurlijke watercyclus. Sindsdien zijn er ontwikkelingen geweest waarbij men wel degelijk rekening houdt met de impact van de mens in de watercyclus op de meer recente globale klimaatmodellen.
Zo heeft onderzoek van Wim Thiery aangetoond dat er door de irrigatie van gewassen meer verdamping van water gebeurt, wat ervoor zorgt dat er een afkoeling optreedt en extreme temperaturen dalen. Wat uiteindelijk ook effect heeft op het klimaat.
Irrigatie is een eerste stap. Een tweede stap is het implementeren van dammen. Want er zijn niet alleen natuurlijke meren, maar ook afgedamde rivieren waardoor er in de loop van de twintigste en éénentwintigste eeuw door toedoen van de mens heel wat extra water is opgeslagen en we dus te maken krijgen met een grote toename van het meer-oppervlak.
Daar zijn twee aspecten aan. Enerzijds heb je dus de toename in meer-oppervlak. Door het bouwen van dammen worden er immers nieuwe meren gecreëerd, zodat er uiteindelijk een groter wateroppervlak ontstaat. Bedoeling is dan om na te gaan wat daarvan de impact is op het klimaat. Anderzijds is er ook de impact op de rivierstromingen. Het afdammen gaat immers impact hebben op hoeveel water er op welk moment in de loop van het jaar door de rivier stroomt.
In mijn doctoraat heb ik die gegevens geïmplementeerd in een Amerikaans globaal klimaatmodel, het Community Earth System Model, een model dat een gebruikersbasis over de hele wereld heeft. Het implementeren van dammen zit intussen in de broncode van het model en wordt gebruikt door wetenschappers wereldwijd die nu dit model draaien.
Wat zijn onze bevindingen? Dat de toename van wateroppervlakte door het bouwen van dammen, van waterreservoirs zorgt voor een vermindering in de temperatuurfluctuaties. En dat dus zowel de dagelijkse als de seizoenale temperatuurfluctuaties worden gedempt door die dammen.
Je kan het vergelijken met wat de zee bij ons doet met de temperatuur. Water heeft een grotere warmtecapaciteit dan lucht, kan dus meer warmte opslaan dan lucht. Je kent zeker wel het klassieke proefje met een ballon gevuld met lucht en eentje gevuld met water. Als je een vlammetje houdt onder die gevuld met lucht zal die meteen ontploffen, terwijl de ballon gevuld met water dat niet zal doen. En volgens dit mechanisme kan er door die waterreservoirs tijdens de zomer meer warmte worden opgeslagen waardoor het een beetje afkoelt, terwijl die warmte tijdens de winter weer wordt vrijgegeven waardoor de luchttemperatuur een beetje stijgt. De temperatuurvariaties in de locaties waar er dammen zijn worden op die manier eigenlijk afgevlakt en zorgen dus plaatselijk voor een milder klimaat.
En jullie bevindingen zijn intussen ook deel gaan uitmaken van de actuele klimaatmodellen?
Ja, de veranderende meer-oppervlakken zijn daarin geïntegreerd, dat was ook het opzet van mijn doctoraatsonderzoek. Onze ontwikkelingen zitten dus in de modelsimulaties die rechtstreeks bijdragen aan de IPCC rapporten.
Over het IPCC gesproken, tijdens dat onderzoek stelden we ons de vraag hoeveel warmte er wereldwijd al is opgeslagen in meren en of dat door de actuele opwarming van de Aarde is toegenomen. In de bestaande wetenschappelijke literatuur heb ik daarover niets gevonden, en dus was die vraag eigenlijk nog nooit beantwoord. En dat is natuurlijk wel een belangrijk iets, want klimaatrapporten zoals die van het IPCC baseren zich op warmte-inventarissen om na te gaan hoe de warmtehuishouding van onze planeet evolueert. Door de toenemende CO2-uitstoot wordt er alsmaar meer energie gevangen gehouden in het aardsysteem, en energie moet natuurlijk ergens naartoe. Slechts een heel klein deeltje daarvan, ongeveer 2%, wordt gebruikt om de atmosfeer op te warmen, 89% gaat naar het opwarmen van de oceanen, 5% wordt door de cryosfeer geabsorbeerd – zeg maar de gebieden met water onder bevroren vorm zoals sneeuw, permafrost, gletsjers, pakijs – en dan rest er nog 5% die gaat naar het opwarmen van het land.

Copyright afbeelding: Earth System Science Data >>> https://essd.copernicus.org/ - Creative Commons Attribution 4.0 License
Wij hebben voor de eerste keer gekwantificeerd hoeveel energie er gaat naar het opwarmen van binnenwateren: natuurlijke meren, reservoirs en rivieren, en voor hoeveel dat deel in het totale plaatje meetelt. Die component van binnenwateren is vrij klein, maar toch niet verwaarloosbaar.
Ook hebben wij bijgedragen aan een wetenschappelijk artikel dat alle componenten op land qua hitteopslag heeft gekwantificeerd met daarbij ook de component permafrost.
Doordat de Aarde opwarmt, wordt de atmosfeer warmer. Dus is er meer energie beschikbaar die kan opgeslagen worden in meren. Maar door reservoirs aan te leggen en extra water op land op te slaan zal er ook meer energie die al in dat water zit op land opgeslagen worden. We hebben kunnen berekenen dat die hoeveelheid wel tien keer hoger is dan de extra energie die wordt opgeslagen in meren.
Door die berekening te maken hebben we het globale plaatje een beetje completer gemaakt. Onze resultaten zijn aanvaard binnen de internationale consortia van klimaatwetenschappers en ook gepubliceerd in het zesde evaluatierapport van het IPCC dat in 2023 is uitgekomen.
Wat de klimaatverandering betreft, is ons land goed bezig met het oog op wat de toekomst mogelijk brengt?
Ik zal eerst stellen dat we zeker goed bezig zijn op het vlak van het bestuderen van het probleem. Voor klimaatwetenschappers is het momenteel een heel interessante periode, zeker ook met de oprichting van het Belgisch klimaatcentrum.
Zelf was ik voor mijn postdoc actief aan de universiteit van Bern, maar ik ben verhuisd uit Zwitserland om in ons land mee aan het klimaatonderzoek te kunnen werken en ben hier gestart in maart 2024. Ik wil mij mee inzetten voor de Belgische klimaatwetenschap om zo de nieuwste wetenschappelijke feiten en inzichten te vertalen naar effectief tastbare informatie die direct toepasbaar is en aanzet tot actie. Dat is toch zeker ook een heel belangrijk aspect aan het zijn van klimaatwetenschapper: het gaat natuurlijk over de wetenschap op zich, maar gezien de grote klimaatcrisis die op dit moment gaande is, is het zeker ook heel belangrijk om als wetenschappers daarin onze stem te laten horen, en wetenschappelijke onderbouwing te voorzien voor enerzijds mitigatie, de snelheid van opwarming van de Aarde te beperken door het tot nul brengen van de broeikasgasuitstoot, en anderzijds voor adaptatie, het aanpassen van onze maatschappij aan het huidige of toekomstige klimaat.
Krijg je soms nog te maken met tegenkantingen of met mensen die ontkennen dat er zoiets is als een klimaatprobleem?
Intussen is het wetenschappelijk al zeer duidelijk aangetoond dat de klimaatopwarming een feit is. Bovendien is de problematiek voor iedereen zo zichtbaar en tastbaar geworden dat je ziende blind of van slechte wil moet zijn om die realiteit te ontkennen. Ik heb echter wel het gevoel dat de urgentie om actie te ondernemen om de klimaatverandering tegen te gaan niet overal even hoog op de prioriteitenlijst staat.
Op je vraag of België goed bezig is kan ik dus antwoorden dat er aan het probleem gewerkt wordt, maar lang niet genoeg. In dat verband geven klimaatwetenschappers een luid en duidelijk signaal, waarbij gesteld wordt dat sterke en ambitieuze klimaatmaatregelen nodig zijn om de opwarming binnen de perken te houden. Maar op die vraag volgt niet meteen een sluitend antwoord... Ik vind het heel belangrijk om als wetenschapster die actie te blijven benadrukken, simpelweg omdat het zo dringend is. Onlangs verscheen er nog maar eens een wetenschappelijke studie waarin aangetoond werd dat er voldoende manieren en technologieën zijn om de globale opwarming te beperken tot anderhalve graad. Maar om dat doel te bereiken moeten politieke beslissingen worden genomen waarvoor vooral politieke moed nodig is.
Er zijn natuurlijk in het nieuws heel veel berichten over klimaatonheil, over de urgentie van het probleem, enzovoort. Maar tegelijkertijd is het belangrijk om niet te vervallen in negativisme en wanhoop. We kunnen zelf kiezen hoe we ons best aanpassen aan klimaatextremen en welke maatregelen we best nemen om de verdere uitstoot van broeikasgassen te beperken. Maar hoe langer we wachten, hoe moeilijker het wordt en hoe kleiner de kans dat we effectief de opwarming kunnen beperken tot anderhalve graad. Zoals men in deze context vaak stelt: elke tiende van een graad telt, er kan dus nog altijd erger vermeden worden, maar daarom hebben we absoluut een ambitieus klimaatbeleid nodig.
Je hebt enerzijds een overheid nodig die een ambitieus klimaatbeleid moeten voeren, en anderzijds zijn er de burgers die draagvlak creëren en de overheid via allerlei acties moeten motiveren om dat klimaatbeleid ook daadkrachtig te realiseren.
Onze taak als wetenschappers is dan om de best mogelijke informatie naar voor te brengen zodat de juiste politieke keuzes kunnen gemaakt worden op het vlak van mitigatie en adaptatie.
Waarom is CO2 de grote boosdoener onder de broeikasgassen?
CO2 is niet het krachtigste broeikasgas, methaan is bijvoorbeeld veel krachtiger, maar het is wel het meest wijdverbreid broeikasgas met een vrij lange levensduur. CO2 zit heel homogeen verspreid over de globale aardatmosfeer. Bovendien is CO2 heel efficiënt in het binnenhouden van straling met lange golflengten zodat die niet naar de ruimte kan ontsnappen, en daardoor zorgt het voor een opwarming van de Aarde.
Als we kijken naar de curves die de stijging van de CO2-concentratie in de atmosfeer weergeven, stellen we vast dat die bijna één op één gelinkt kunnen worden aan de stijging van de globale gemiddelde temperatuur. De C in CO2 staat voor koolstof, en de CO2 in de atmosfeer komt rechtstreeks voort uit het verbranden van brandstoffen op en onder het aardoppervlak: hout, steenkool, aardolie en aardgas. Het vraagt bijgevolg een hele omschakeling van het bestaande systeem om van de verbranding van fossiele brandstoffen af te stappen. We moeten de concentratie van CO2 in de atmosfeer zien constant te houden, een volgende stap is de CO2 af te vangen en terug op te slaan. Maar de eerste en allerbelangrijkste stap die we nu moeten zetten is het beperken, reduceren en zelfs tot nul brengen van nieuwe uitstoot van CO2. Dat is wat we onder mitigatie verstaan. Om een beeld te gebruiken: bij mitigatie gaat het om de kraan van het bad dicht te draaien, bij adaptatie gaat het over het opdweilen van alle water dat al naast het bad is terecht gekomen. Beide zijn belangrijk voor droge voeten, maar zonder de kraan dicht te draaien zal er non-stop gedweild moeten worden.
Wereldwijd zit het op dat vlak nog niet goed, nietwaar?
Het is een feit dat globaal bekeken de CO2-niveaus nog altijd aan het stijgen zijn. Het lijkt er dus op dat we nog niet op het punt gekomen zijn dat we de maximale hoeveelheid uitstoot hebben bereikt.
De laatste jaren zijn er toch wel grote stappen gezet, zoals in 2015 het akkoord van Parijs. Toen bereikte de internationale gemeenschap een akkoord met de intentie stringente maatregelen te nemen waardoor de globale opwarming beperkt zou blijven tot anderhalve graad. Helaas stellen we bijna tien jaar na die overeenkomst vast dat de CO2-uitstoot nog steeds toeneemt.
De kraan is eigenlijk nog een beetje harder aan het lopen.
Ja, maar anderzijds stemt het me wel hoopvol dat de alternatieven voor fossiele brandstoffen steeds aantrekkelijker worden, zo is de kost voor zonnepanelen en voor andere vormen van hernieuwbare energie de voorbije jaren enorm gedaald. Het wordt met andere woorden gemakkelijker en gemakkelijker om de kraan dicht te draaien. Mitigatie en adaptatie zal sowieso veel geld kosten, maar die kost is vele malen lager dan de kost van het bestrijden van de negatieve gevolgen van de klimaatverandering in de toekomst. Het is dus een kwestie van beslissen of we als samenleving de kraan dichtdraaien of niet, en alles is voorhanden om de juiste beslissingen te nemen.

Copyright afbeelding: NASA’s Scientific Visualization Studio - Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International license
Als we naar de woningen kijken in Vlaanderen is er nog veel werk op het vlak van beter isoleren en overschakelen naar groene energie. Maar dat kost allemaal veel geld, en niet iedereen heeft daarvoor de financiële middelen ter beschikking.
Dat klopt, het zijn zware investeringen voor de mensen. Een sociaal rechtvaardig klimaatbeleid is daarom noodzakelijk, en ook daarvoor zijn politieke beslissingen nodig.
Zijn er manieren om de transitie te gaan versnellen? Er is effectief een grote groep mensen die bekommerd zijn om de klimaatverandering en die in de mate van het mogelijke proberen hun levensstijl aan te passen. Maar er is ook een grote groep mensen die gewoon hun normale leven willen leiden en daarbij veelal kijken naar de goedkoopste optie. En daarom is het belangrijk dat de meest aantrekkelijke en goedkoopste optie meteen ook de klimaatvriendelijkste optie wordt, zonder dat daar een heel denkproces of schuldgevoelens moeten aan te pas komen. Dat is opnieuw een kwestie van beslissingen nemen.
Je kent ongetwijfeld de beroemde Canadese klimaatwetenschapster Katharine Hayhoe, zij is een autoriteit op het gebied van de klimaatverandering. Het belangrijkste wat je volgens haar kan doen tegen de klimaatverandering is erover spreken. Op plaats twee komt bij de verkiezingen voor de juiste kandidaat stemmen, en op drie klimaatacties bij wonen en klimaatactiegroepen ondersteunen. En pas daarna komen persoonlijke acties zoals het beperken van vliegreizen, fossielvrij verwarmen, het openbaar vervoer gebruiken, enzovoort.
Inne, jij bent ook actief betrokken bij het CORDEX.be II project. Wat houdt dat precies in?
Dat is een groot onderzoeksproject, gefinancierd door BELSPO, met als partners het KMI, de KU Leuven, de universiteit van Luik, de UGent en VITO. CORDEX.be II heeft als doel de mogelijke Belgische klimaatscenario’s te beschrijven. We berekenen met hoge resolutie klimaatmodellen hoe het Belgische klimaat er gaat uitzien in de wereld met het klimaat van vandaag, in een twee graden warmere wereld en in een drie graden warmere wereld. En het is de bedoeling dat we aan de stakeholders en de Belgische bevolking up-to-date klimaatinformatie kunnen geven. We willen te weten komen hoeveel het zal regenen in een drie graden warmere wereld, waar we ons moeten op voorbereiden, hoe de temperatuur, hittestress en het stedelijk hitte eiland zullen evolueren in een warmer wordende wereld. Concreet gaan we berekenen als bijvoorbeeld een bepaalde locatie met extreme neerslag te maken krijgt welke aanpassingen er daar dan nodig zijn om overstromingen te vermijden.
Met CORDEX I bestaat er reeds sinds 2017 een eerste versie van die klimaatscenario’s, die onlangs gepubliceerd zijn door het klimaatcentrum. Intussen zijn er vele updates en aanpassingen geweest aan de globale modellen zodat wij ook met een nieuwe versie van onze modellen bezig zijn. Vertrekkend van die globale klimaatmodellen zorgen we dat de informatie aangepast wordt aan een veel fijnmaziger schaal zodat we komen tot regionale modellen waarmee we dan ons klimaat kunnen simuleren.
Omdat onze modellen ook rekening houden met convectie, wat betekent dat er in de modellen ook verticale luchtbewegingen kunnen voorkomen, moeten we een bepaalde hoge resolutie halen, typisch rond de 2,8 km, om die processen expliciet te kunnen simuleren. Zodoende krijgen we veel betere informatie over bijvoorbeeld neerslagextremen, omdat we dan expliciet kunnen simuleren hoeveel neerslag er voor een bepaalde locatie maximaal kan vallen.
Maar we focussen niet alleen op extreme neerslag, maar ook op extreme hitte, en dan vooral in steden. Je hebt daar het stedelijke hitte-eiland, maar ook veel hittestress. Een doctoraatstudente aan de KU Leuven, Fien Serras, focust in haar doctoraat op extreme hitte in steden, mogelijke impacts zoals mortaliteit en effecten van mogelijke adapatiemaatregelen.
Op basis van dergelijke informatie op heel hoge resolutie die wij gaan produceren is het mogelijk om in de toekomst gedetailleerde plannen uit te werken en maatregelen te nemen om de kwalijke gevolgen van de klimaatverandering te milderen.
We werken aan drie verschillende regionale klimaatmodellen: er is het klimaatmodel ALARO van het KMI, het klimaatmodel van de universiteit van Luik heet MAR, en het klimaatmodel waar we aan de KU Leuven mee werken heet COSMO-CLM6.0.
Door die drie modellen te combineren krijgen we ook een idee van de onzekerheid die met die modellen gepaard gaat. En die modellen worden dan weer op hun beurt door andere globale modellen aangedreven. Zo krijgen we uiteindelijk zicht op verschillende mogelijke klimaatscenario’s in de toekomst.
De vorige versie van onze modellen was nog op basis van het vijfde evaluatierapport van het IPCC, terwijl we nu gebruik maken van de nieuwste generatie globale klimaatmodellen die in het zesde evaluatierapport zijn voorgesteld, waarbij de processen in hogere resolutie gesimuleerd kunnen worden en waarbij ook allerlei nieuwe bevindingen geïmplementeerd worden. Zo wordt nu rekening gehouden met de menselijke impact in de watercyclus, wat ik in mijn doctoraat bestudeerd heb. In onze laatste modelversies van de regionale klimaatmodellen is er bijvoorbeeld ook een grote verbetering wat betreft de manier waarop aerosolen, heel fijne stof- of vloeistofdeeltjes in de lucht, worden voorgesteld. Aerosolen zorgen voor een afkoeling, en in vroegere versies van de klimaatmodellen ging men uit van een constante hoeveelheid aerosolen. Maar dat klopt niet, want de luchtkwaliteit in West-Europa is aanzienlijk verbeterd, dus de concentratie aerosolen is afgenomen. Wat betekent dat de vorige generatie modellen de opwarmingstrend eerder onderschatten.
Het is verbluffend dat jullie die enorme hoeveelheid data en parameters allemaal in die modellen kunnen integreren…
Ja, maar dat is noodzakelijk om klimaatinformatie van zo hoog mogelijke kwaliteit te kunnen voorzien voor België. Daarom ook zijn we mee met de meest recente wetenschappelijke inzichten op het vlak van klimaatwetenschap. We zijn momenteel volop bezig met testsimulaties om te checken hoe goed alles werkt en om hier en daar te finetunen. En vanaf het najaar kunnen we dan volledig de simulaties beginnen draaien.
Maar het klopt dat het hele zware modellen zijn. Omdat ze zo hoog zijn in resolutie kunnen we per experiment ook maar typisch tien tot twintig jaar simuleren. En daarvoor doen we beroep op supercomputers. We gebruiken daarvoor het Vlaams Supercomputer Centrum, de huidige Vlaamse supercomputer heet trouwens ‘Hortense’ en staat in de gebouwen van de UGent.
Het is ongetwijfeld ook erg boeiend om te kunnen samenwerken met collega’s van andere instellingen en universiteiten?
Zeer zeker, het is een heel interessante groep, de wetenschappers die zich met klimaat en aanverwante zaken bezig houden. Dat geldt voor collega’s nationaal, maar zeker ook internationaal. België is geen geïsoleerd land. Onze simulaties worden ook binnen Europa gedraaid. Zo zijn er bijvoorbeeld concrete plannen om bij te dragen aan Europese projecten die simulaties met verschillende regionale klimaatmodellen gaan vergelijken. Want elk model heeft toch zijn eigen kenmerken in termen van hoe gevoelig ze zijn aan de klimaatverandering, de manier waarop de verschillende fysische processen zijn geparametriseerd, enzovoort. En dan is het wel heel boeiend om daar samen met andere wetenschappers over na te denken, diverse invalshoeken te bespreken en tot conclusies te komen.
Rijkere landen kunnen het zich veroorloven om klimaatcentra op te richten en te werken aan allerlei scenario’s om de schadelijke effecten van extreem weer zoveel mogelijk tegen te gaan. Maar armere landen die zelf veel minder hebben bijgedragen aan de opwarming van het globale klimaat hebben die middelen niet of toch veel minder. Worden er vanwege de rijkere landen voldoende inspanningen gedaan om de grootste slachtoffers van het op hol slaande klimaat bij te staan?
Als we het hebben over financiële middelen, dan zijn er binnen het klimaatakkoord van Parijs op politiek niveau afspraken gemaakt over een fonds waarin rijkere landen die meer broeikasgassen uitstoten geld dienen te storten om de landen die het meest de impact van de klimaatverandering voelen te ondersteunen. Of dat genoeg is om de duidelijke Noord-Zuid ongelijkheid in historische uitstoot en impacts te gaan balanceren is een open vraag...
In termen van wetenschap is er ook veel steun voor en samenwerking met die landen die het meest te lijden hebben van de klimaatverandering. Klimaatmodellen worden uiteraard ontwikkeld voor een welbepaalde regio, maar mits een aantal aanpassingen kunnen die ook wel voor andere continenten van groot nut zijn. In die context lopen er allerlei samenwerkingen met bijvoorbeeld Afrikaanse wetenschappers. Zo is er in Rwanda een groot project van professor Kwinten Van Weverberg die ook aan het KMI en de UGent verbonden is om met behulp van mobiele telefoonnetwerken de neerslag te monitoren om zo real-time neerslagkaarten in hoge resolutie te genereren voor beide landen. Daarbij wordt het onderzoek uitgevoerd door Rwandese doctoraatsstudenten. Dat is een goede zaak voor de lokale landbouw en om zicht te krijgen op eventuele overstromingen.
Kan jij als specialist ons nog een aantal goede bronnen bezorgen waar de geïnteresseerde leek degelijke informatie vindt over al wat met de klimaatverandering te maken heeft?
Als dat ook in het Engels mag is CarbonBrief een uitstekende website met alle nieuws over alles wat met klimaat te maken heeft. Een andere aanrader: RealClimate. Als je je wil wapenen tegen veelgehoorde argumenten van klimaatontkenners is SkepticalScience.com een goeie bron
Natuurlijk verwijs ik ook graag naar de website en de sociale media van het Belgisch klimaatcentrum waar alle info i.v.m. het Belgische klimaatonderzoek gepubliceerd wordt. Je hebt ook klimaat.be, de site van de federale overheid over de klimaatverandering, en bij de Vlaamse overheid is klimaat een onderdeel van het agentschap Natuur, milieu en klimaat. En je hebt op het Vlaamse niveau in het bijzonder het Vlaams Energie- en klimaatagentschap.
Qua boeken zijn er ook verschillende die ik wil aanraden. Zo is er het boek The New Climate War van Michael Mann, de man achter de hockeystickcurve. Zeker ook de boeken van Naomi Oreskes, een sociale wetenschapster die onderzoek heeft samengevat over hoe de grote fossiele bedrijven klimaatactie vertragen. Een bekend boek in dit verband is Merchants of Doubt, dat zij samen met Erik Conway schreef.
Het is toch onvoorstelbaar dat wetenschappers zich lenen voor het lobbywerk van die fossiele bedrijven en geldschieters? Zij weten toch maar al te goed dat wat zij vertellen niet strookt met de feitelijkheid?
Ik vind het vooral heel frappant hoe succesvol die bedrijven en industrietakken zijn geweest in het tegenwerken van klimaatactie. Je weet wellicht dat het idee van de ecologische voetafdruk afkomstig is van die grote fossiele bedrijven met als bedoeling dat mensen onderling naar elkaar met de vinger wijzen als klimaatzondaars, het klassieke verdeel en heers, en dan kunnen zijn gewoon verder hun ding doen. Zelfs op de dag van vandaag heeft de fossiele lobby nog heel wat macht om globale klimaatactie ernstig te vertragen.
Als je als wetenschapper op die manier collaboreert met de grote rijke business, draag je toch een enorme verantwoordelijkheid…
Zeker, maar dat geldt natuurlijk ook voor de managers, de aandeelhouders, zij die de strategieën uitzetten.
Gelukkig komt er ook tegen die machtige spelers meer en meer verzet, denk maar aan de lopende klimaatzaak in Nederland tegen de olie- en gasmaatschappij Shell. En ook in België heb je de Klimaatzaak vzw die procedeerde tegen de Belgische staat, het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de uitstoot van broeikasgassen sneller te reduceren, waarbij het Brusselse hof van beroep hen in het gelijk stelde.
Mooi zo, een positieve noot om dit interview mee af te sluiten. Dank voor het boeiende gesprek, Inne, en nog veel succes met je verdere werk als klimaatwetenschapster.
Tekst: Francis Meeus, september 2024